menu

Havik

January 3, 2018 | Posted By: | Articles Blog |

Havik

Het ontdekken van nieuwe kunst is heerlijk. Minutenlang staren naar een werk.  Hartstochtelijk kun je haten of juist liefhebben. Fantaseren bij de voorstelling of juist passief observeren en tot je laten komen. Een kunstenaar die het potentieel belichaamt, het uiterste van deze obsessie, is het mooiste dat je kunt tegen komen. Hij of zij bevestigd je interesse, je beleving, je wereldbeeld. Maar af en toe zijn er ook kunstenaars die je haren recht overeind zetten. Nagels op een krijtbord en een warm bad tegelijk. Confronterend, en dan is het menens.

Lucian Freud deed dat voor mij. Zijn haast dierlijke verschijning laat niets aan de verbeelding over: een havik. Voortdurend turend, schichtig , doelgericht en met intens karakter nam hij de wereld in zich op. Welbespraakt maar ook instinctief, dierlijk, speels, een observeerder met eigen motieven. De weinige beelden van zijn schilderproces leggen dit eloquente roofdier vast. Hij bestudeert, bevoelt en schat in, precies als een havik zou doen. Zijn werk is dan ook vol, intens, zwaar, als elegant gedeponeerd vlees op schilderslinnen. Elk schilderij een stukje van zijn eigenwijze leven.

In zijn jeugd al voelde Freud zich meer aangetrokken tot dieren. Hij schilderde de paarden in de stal waar hij heen vluchtte. Op latere leeftijd zou hij altijd een trouwe Whippet hebben. (Freud was fervent gokker). De hond Eli staat op meerdere werken afgebeeld, net als assistent David Dawson die alles in en om zijn leven regelde. In het algemeen was Freud er tegen om één specifiek subject meerdere malen te schilderen, enkele uitzonderingen daargelaten. Tekenend was de vriendschap die Freud lang had met die andere wonderbaarlijke schilder: Francis Bacon. De verhalen zijn legendarisch. Beiden heren hadden een – op zijn zachtst gezegd – sterk temperament. Beiden schilderden als bezeten alchemisten: vlees creërend uit olieverf.

Als kunstenaar ben je voortdurend op zoek naar broodkruimels. Naar nieuwe ideeën, nieuwe stappen waarmee je in je eigen werk aan de slag kunt. Lucian was meteen raak. Nieuwe ideeën te over. Maar hij confronteerde me ook hardhandig met de gedachte dat kunst – boven concept, kennis en techniek – vooral ook gaat over temperament. Over gedrevenheid. Een bijna irrationele, hartstochtelijke verhouding met creëren, met de wereld in duwen. Die koppigheid, levenskracht en drift verdwijnt zodra je kunst vanuit het intellect leert benaderen, het leert afwegen. Het is een beroepsdefect: wanneer iets ècht een indruk maakt wil je weten waarom dit zo is. Dat is niet altijd bereikbaar zonder je als een Filistijn te gedragen, de tovenaar achter het gordijn uit te halen.

Ik probeerde Freud tevergeefs op die manier te begrijpen, als een optelsom van rationele delen, als een ‘schilder’, een opsomming van maniërisme, trucjes, technieken, benaderingswijzen. Het werkte voor geen meter, ik kwam vast te zitten. Heel vast. En dan weet je: ik ben iets op het spoor. De esthetiek van Freud trok me altijd al, maar het inhoudelijke kwam later pas.

Het was Wim Albrink die mij voor het eerst serieus in contact bracht met mensen als Freud, Sam Dillemans, Käthe Kollwitz, Sam Drukker. Natuurlijk, Schiele had ik al vaker bekeken, maar op dat moment was ik nog steeds erg bezig met zijn tijdgenoot Klimt. Niet vanwege zijn esthetiek, maar vanwege zijn invloed. Hij was een natuurkracht, maar niet op de wijze dat Freud of Bacon dit waren. Klimt was een heerser, een regent, een man van statuur die bewondering eiste. De andere twee waren rebellen, rock’nrollers op geheel eigen wijze. Een no-bullshit mentaliteit, zelfs ten koste van hun omgeving. Ik zag niets in die benadering: ik ging even beter leren schilderen, althans zo dacht ik.

De theorie van schilderen is geen rocket-science. En na menigeen uurtje oefenen gaat het nog makkelijker. Maar dan wordt het menens. Want wat doe je als je docent plots begint over onderbuikgevoel, over instinct, over karakter? Waar zit dat? Hoe kan ik daarbij? Het is niet benaderbaar vanuit intellect. Het heeft geen aan- en uitknopje. Je kunt het niet aan elkaar uitleggen buiten het te benoemen.

Ik voelde me alsof ik plots begon na te denken bij het fietsen: rechtertrapper, linkertrapper, rechtertrapper… een zinloze oefening, het werkt niet. Het werk op die manier benaderen blijft aan het oppervlak, het dringt niet tot de essentie. Het maakt er een wiskundige oefening van. Terwijl één plus één zelfs in de meest matige kunst nog steeds 6 of meer behoort te zijn. En dat is het moment waarop karakter in het spel komt.

Freud zelf was – met uitzondering van zijn laatste jaren – wars van media. Hij liet zich weinig fotograferen, sprak zelden in het openbaar en schreef of publiceerde nog minder. Zijn vele kinderen bij vele maîtressen werden door de assistent zorgvuldig uit elkaar gehouden. En de weinige teksten die er zijn stammen met name uit zijn beginperiode, toen hij ook zelf nog zoekende was. Het heel compacte artikeltje ‘Some Thoughts On Painting’ uit 1954 is daarom buitengewoon interessant. Een jonge Freud schrijft daarin: ‘The aura given out by a person or object is as much a part of them as their flesh. The effect that they make in space is as bound up with them as might be their colour or smell. (…) It is through observation and perception of the atmosphere that he can register the feeling that he wishes his painting to give out.’  [1]

Geen meten dus, geen vergelijken. Maar helemaal op het instinct, op het gevoel. Het vastleggen van een ontastbare kwaliteit, als waargenomen door de kunstenaar. Ja, het klinkt esoterisch, en misschien is het dat ook wel een beetje. Maar de dierlijkheid, de ‘in het moment’-attitude van de kunstenaar en de intense blikken spreken uit het werk. En af en toe denk ik dan even aan die havik, aan die intens blauwe, wijd-open gesperde ogen achter de enorme schildersezel die het prooidier zorgvuldig bestuderen, om het stukje voor stukje op het doek te plaatsen.

 

Bedankt Gregor Wintgens voor ‘Breakfast with Lucian[2]
& bedankt Wim Albrink voor al die te gekke lessen

[1] L. Freud – “Some Thoughts On Painting,” Encounter III, no. 1 July 1954: p23-24.

[2] G. Greig – “Breakfast With Lucian.”, Farrar, Straus and Giroux, New York.

/